Donderdag 26 mei 2022, Maartenskerk Protestantse Gemeente Doorn

Preek naar aanleiding van Daniël 7:9-14 en Handelingen 1:1-11 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Hemelvaart op donderdag 26 mei 2022 om 9.00 uur in de Maartenskerk van de Protestantse Gemeente Doorn

Gemeente,

In de negentiende-eeuwse roman De idioot van Fjodor Dostojewski keert vorst Mysjkin na een lang verblijf in het buitenland terug naar Rusland. Tijdens zijn absentie blijkt de Russische samenleving al haar kaarten op de economie te hebben gezet. De figuur die mogelijk model heeft gestaan voor Mysjkin was de vijftiende-eeuwse Basilius de Zalige, die in de rol van ‘idioot’ het bewind van de tsaar Ivan IV Vasilyevich bekritiseert. In Byzantium, en in het bijzonder in middeleeuws Rusland, gold ‘dwaasheid’ als een christelijke waarde. De idioot vertegenwoordigt het ideaal van zelfontlediging en vernedering tot het uiterste, door afstand te doen van zijn intellectuele gaven en alle vormen van strategisch denken. Vrijwillig neemt hij het kruis van de idiotie op zich en vervult daarmee een sociale rol. De idioot was in die positie in staat mensen die macht hadden ‘vogelvrij’ te bekritiseren. To play the fool (het spelen van de dwaas) was een stap die niemand anders durfde wagen.

De auteur van Daniël zeven vers negen tot veertien is een cartoonist, die met visuele kunst een religieus commentaar schrijft op de kroning van een priester, zijn lezer(es)s(en) tegelijkertijd entertaint en adverteert voor een andere tempeldienaar. De historische aanleiding voor het in beeldtaal tekenen van zijn cartoons is de onvrede van een groep gelovigen over de opvolging van de hogepriester in de tempel. Zij koesterden de hoop dat de nieuwe geestelijke zich in eenvoudige kledij tooit, er een sobere levensstijl op na houdt, toegankelijke taal spreekt, gemakkelijk in de omgang is en gevoel heeft voor symboliek, rituelen en theater. De kandidaat die uiteindelijk werd verkozen tot nieuwe priester bleek uit de aristocratie afkomstig, zich te hullen in een bontgekleurde kazuifel, te wonen in een religieus paleis, vaker te vinden in een studeerkamer en lokale bibliotheken, dan in een biechthokje, een gedistingeerde taal te spreken, de sacramenten af te raffelen en zich te verplaatsen in een Lamborghini Murcielago.

Voor die benoeming was veel politiek in het spel. Machtsverhoudingen drukten hun stempel op ‘het verkiezingsproces’ en iemand die afkomstig was ‘uit het volk’, had weinig in het besluitvormingsproces in te brengen. De troonsbestijging was een selectief gebeuren en werd gekenmerkt door ongelijkheid. Het volk heeft echter één belangrijke troef in handen: zij weet zich te verenigen, is goed georganiseerd en trekt een plaatselijke schrijver, illustrator en striptekenaar aan die op komische wijze een parodie op de kroning uitbeeldt en een alternatieve installatie van een ‘kerkelijk hoogwaardigheidsbekleder’ voorstelt. Die functionaris diende aan het profiel van ‘het volk’ te voldoen om hen optimaal te kunnen vertegenwoordigen en tegelijkertijd ontvankelijk te zijn voor ‘hemelse sferen’. Een figuur die ‘begrijpt’ wat transcendentie betekent, dat wil zeggen ‘ruimte’ die geen ruimte is, een leeg begrip dat mensen gemakshalve God noemen. Als die ‘wereld’ ter sprake komt, beginnen mensen vaak te stotteren en te stamelen, en gebruiken beelden en sacramenten om dat wat hen boven de werkelijkheid uittilt, uit te drukken. Een persoon die dat religieuze spel kan faciliteren en stroomlijnen is de priester. Wat de achterban van de cartoonist betreft is dat zowel iemand die van de aarde is, als iemand die met haar of zijn hoofd in de wolken loopt.

De cartoonist heeft de uitnodiging aangenomen en gaat het, in de ogen van het volk, falen van de huidige priesterlijke functionaris ruimschoots goedmaken met visioenen. Hij stelt zijn geest helemaal open voor ‘droomgezichten’, laat zijn fantasie de vrije loop en schuwt daarbij apocalypsen niet. Hij luidt het einde van een ambtstijd voor een voorganger in. Zijn taak zit erop, hij mag met emeritaat, nu kan hij vrij dromen. Visioen na visioen krijgt in Daniël zeven zijn neerslag. De cartoonist stelt zich een ‘verkiezingsronde’ voor die niet wordt belegd door commissies met leden die zo hun eigen belangen hebben. Hij geeft het vuur van ‘godverschijningen’ als leidmotief op voor de verkiezingsprocedure van de nieuwe priester. Zijn nieuwe priester vertoont veel trekken van een ideale mens: het is een oermens en eindtijdmens ineen. De manier waarop hij volgens de cartoonist invulling gaat geven aan het ambt is tijdloos: zijn optreden is oorspronkelijk, ‘fris’ en telkens nieuw. Een ambtsinvulling gebaseerd op de geest krijgt al gauw de contouren van onvergankelijkheid, volmaaktheid en onkreukbaarheid.

Die visie mag je als lezer(es) situeren in de context van Soekkot, dat is het joodse Loofhuttenfeest, een pelgrimsfeest dat culmineert in een acclamatie waarbij God als meerdere wordt erkend. De auteur van Daniël zeven geeft van dat feest een eschatologische interpretatie door er het einde van een oude en het begin van een nieuwe sociaal-religieuze orde mee in te luiden.

De tekst uit Daniël zeven en Handelingen een vertellen van een hemelvaart en lijken op de hemelvaart van een Henoch, Elia en op die van heersers en helden uit de Oudheid als Augustus en Heracles. Hoe verhouden beide teksten zich nu tot elkaar op het punt van hemelvaart? Als een mens is heengegaan, iemand van wie je gehoopt had dat zij of hij eeuwig zou blijven, dan kun je op de uitkijk gaan staan, blijven turen in de verte, wachten en hopen totdat een geliefde terugkomt. Elia was een aimabel mens, bij velen geliefd en door zijn populariteit ontwikkelde zich de breed gedragen joodse overtuiging dat Elia na zijn dood terug zou komen. En alle toekomstverwachtingen ten spijt kwam Elia niet terug. De hoop op een messiaanse figuur werd er bij de gelovige jood niet minder om. Het boek Handelingen wil laten zien hoe een voorspelling alsnog in vervulling gaat. Het is een soort grootschalige reddingsactie voor de André Hazes of Frans Bauer van Israël. Tijdgenoten van Jezus van Nazareth huldigden nationalistisch-politieke opvattingen over de messias en zijn koningschap en dragen die aspiraties op hem over.

Een verhaal over hemelvaart is ook te zien als een copingsstrategie voor verliesverwerking, dat wil zeggen een manier van omgang met het gemis van een gestorvene. Wie onverwachts een dierbare verliest, kan in een soort psychologische rollercoaster belanden. Je blijft om je heen kijken en zoeken naar tekens van leven van de overledene. Beelden van ‘die ene’ staan nog op het netvlies, haar op zijn aanwezigheid zindert na. Als nabestaande kun je op abrupte momenten als een toeschouwer getuige zijn van herinneringen die zich in de eigen menselijke geest voltrekken. Midden op een feestje, in het klaslokaal of tijdens een vergadering dwalen je gedachten, terwijl iemand spreekt, af, de rouwdragende droomt weg, hoort iemand niet meer. Er kan een nieuwsgierigheid ontstaan die zich uit in tenhemelschreiende vragen of idealistische denkbeelden: “Heer, herstelt U in deze tijd het koninkrijk voor Israël?” Of, in modernere bewoordingen: hoe ga ik mijn leven zonder lief nu vormgeven en wel zo dat ik daar wel bij vaar?

Partners kunnen hun geliefde overal in zien. Winkelruiten spiegelen de persoon die haar of hem zo lief was. Via de populaire liederencultuur ontdek je dat velen met liefdesverdriet je zijn voorgegaan. De vioolconcerten van Brahms trek je emotioneel even niet. De frustratietolerantiedrempel die normaliter hoog ligt, is ineens drastisch gekelderd en heel snel bereikt. De krant lezen lukt niet meer, voor triviale kwesties valt geen geduld meer op te brengen, eten laat je staan – niets smaakt meer! – en er is nog weinig dat je interesse kan wekken. De horizon lijkt versmalt tot het punt waarop die ene overledene levensgroot voor je staat. Moeders snuiven nog vaak de geur op van een kledingstuk van een overleden kind, richten in huis een gedenkplaats op of verzamelen attributen en zetten die apart om de wereld, waarin die ander nog present was, weer op te roepen. Het lijkt wel of de gestorvene me met haar of zijn dood door de vingers is geglipt en ik heb tijd en houvast nodig om grip te krijgen op dat heengaan. Hoe kan dat beter dan door me te omringen met de restanten van de wereld waarin de overledene leefde?

Een oudere kan nog lang in gesprek zijn met iemand die is overleden of van haar of hem is gescheiden. Totdat iemand uit het vizier verdwijnt, uit het zicht is verdwenen, het moment waarop de persoon die voor een gelovige het menszijn het meest menselijk naderde en die in het Aramees ‘de mensenzoon’ wordt genoemd ten hemel vaart. Beelden versmelten, de achterblijver neemt afstand en de horizon verbreedt zich weer een beetje. Op naar Pinksteren!

Amen