Donderdag 26 mei 2022, Maartenskerk Protestantse Gemeente Doorn

Preek naar aanleiding van Daniël 7:9-14 en Handelingen 1:1-11 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Hemelvaart op donderdag 26 mei 2022 om 9.00 uur in de Maartenskerk van de Protestantse Gemeente Doorn

Gemeente,

In de negentiende-eeuwse roman De idioot van Fjodor Dostojewski keert vorst Mysjkin na een lang verblijf in het buitenland terug naar Rusland. Tijdens zijn absentie blijkt de Russische samenleving al haar kaarten op de economie te hebben gezet. De figuur die mogelijk model heeft gestaan voor Mysjkin was de vijftiende-eeuwse Basilius de Zalige, die in de rol van ‘idioot’ het bewind van de tsaar Ivan IV Vasilyevich bekritiseert. In Byzantium, en in het bijzonder in middeleeuws Rusland, gold ‘dwaasheid’ als een christelijke waarde. De idioot vertegenwoordigt het ideaal van zelfontlediging en vernedering tot het uiterste, door afstand te doen van zijn intellectuele gaven en alle vormen van strategisch denken. Vrijwillig neemt hij het kruis van de idiotie op zich en vervult daarmee een sociale rol. De idioot was in die positie in staat mensen die macht hadden ‘vogelvrij’ te bekritiseren. To play the fool (het spelen van de dwaas) was een stap die niemand anders durfde wagen.

De auteur van Daniël zeven vers negen tot veertien is een cartoonist, die met visuele kunst een religieus commentaar schrijft op de kroning van een priester, zijn lezer(es)s(en) tegelijkertijd entertaint en adverteert voor een andere tempeldienaar. De historische aanleiding voor het in beeldtaal tekenen van zijn cartoons is de onvrede van een groep gelovigen over de opvolging van de hogepriester in de tempel. Zij koesterden de hoop dat de nieuwe geestelijke zich in eenvoudige kledij tooit, er een sobere levensstijl op na houdt, toegankelijke taal spreekt, gemakkelijk in de omgang is en gevoel heeft voor symboliek, rituelen en theater. De kandidaat die uiteindelijk werd verkozen tot nieuwe priester bleek uit de aristocratie afkomstig, zich te hullen in een bontgekleurde kazuifel, te wonen in een religieus paleis, vaker te vinden in een studeerkamer en lokale bibliotheken, dan in een biechthokje, een gedistingeerde taal te spreken, de sacramenten af te raffelen en zich te verplaatsen in een Lamborghini Murcielago.

Voor die benoeming was veel politiek in het spel. Machtsverhoudingen drukten hun stempel op ‘het verkiezingsproces’ en iemand die afkomstig was ‘uit het volk’, had weinig in het besluitvormingsproces in te brengen. De troonsbestijging was een selectief gebeuren en werd gekenmerkt door ongelijkheid. Het volk heeft echter één belangrijke troef in handen: zij weet zich te verenigen, is goed georganiseerd en trekt een plaatselijke schrijver, illustrator en striptekenaar aan die op komische wijze een parodie op de kroning uitbeeldt en een alternatieve installatie van een ‘kerkelijk hoogwaardigheidsbekleder’ voorstelt. Die functionaris diende aan het profiel van ‘het volk’ te voldoen om hen optimaal te kunnen vertegenwoordigen en tegelijkertijd ontvankelijk te zijn voor ‘hemelse sferen’. Een figuur die ‘begrijpt’ wat transcendentie betekent, dat wil zeggen ‘ruimte’ die geen ruimte is, een leeg begrip dat mensen gemakshalve God noemen. Als die ‘wereld’ ter sprake komt, beginnen mensen vaak te stotteren en te stamelen, en gebruiken beelden en sacramenten om dat wat hen boven de werkelijkheid uittilt, uit te drukken. Een persoon die dat religieuze spel kan faciliteren en stroomlijnen is de priester. Wat de achterban van de cartoonist betreft is dat zowel iemand die van de aarde is, als iemand die met haar of zijn hoofd in de wolken loopt.

De cartoonist heeft de uitnodiging aangenomen en gaat het, in de ogen van het volk, falen van de huidige priesterlijke functionaris ruimschoots goedmaken met visioenen. Hij stelt zijn geest helemaal open voor ‘droomgezichten’, laat zijn fantasie de vrije loop en schuwt daarbij apocalypsen niet. Hij luidt het einde van een ambtstijd voor een voorganger in. Zijn taak zit erop, hij mag met emeritaat, nu kan hij vrij dromen. Visioen na visioen krijgt in Daniël zeven zijn neerslag. De cartoonist stelt zich een ‘verkiezingsronde’ voor die niet wordt belegd door commissies met leden die zo hun eigen belangen hebben. Hij geeft het vuur van ‘godverschijningen’ als leidmotief op voor de verkiezingsprocedure van de nieuwe priester. Zijn nieuwe priester vertoont veel trekken van een ideale mens: het is een oermens en eindtijdmens ineen. De manier waarop hij volgens de cartoonist invulling gaat geven aan het ambt is tijdloos: zijn optreden is oorspronkelijk, ‘fris’ en telkens nieuw. Een ambtsinvulling gebaseerd op de geest krijgt al gauw de contouren van onvergankelijkheid, volmaaktheid en onkreukbaarheid.

Die visie mag je als lezer(es) situeren in de context van Soekkot, dat is het joodse Loofhuttenfeest, een pelgrimsfeest dat culmineert in een acclamatie waarbij God als meerdere wordt erkend. De auteur van Daniël zeven geeft van dat feest een eschatologische interpretatie door er het einde van een oude en het begin van een nieuwe sociaal-religieuze orde mee in te luiden.

De tekst uit Daniël zeven en Handelingen een vertellen van een hemelvaart en lijken op de hemelvaart van een Henoch, Elia en op die van heersers en helden uit de Oudheid als Augustus en Heracles. Hoe verhouden beide teksten zich nu tot elkaar op het punt van hemelvaart? Als een mens is heengegaan, iemand van wie je gehoopt had dat zij of hij eeuwig zou blijven, dan kun je op de uitkijk gaan staan, blijven turen in de verte, wachten en hopen totdat een geliefde terugkomt. Elia was een aimabel mens, bij velen geliefd en door zijn populariteit ontwikkelde zich de breed gedragen joodse overtuiging dat Elia na zijn dood terug zou komen. En alle toekomstverwachtingen ten spijt kwam Elia niet terug. De hoop op een messiaanse figuur werd er bij de gelovige jood niet minder om. Het boek Handelingen wil laten zien hoe een voorspelling alsnog in vervulling gaat. Het is een soort grootschalige reddingsactie voor de André Hazes of Frans Bauer van Israël. Tijdgenoten van Jezus van Nazareth huldigden nationalistisch-politieke opvattingen over de messias en zijn koningschap en dragen die aspiraties op hem over.

Een verhaal over hemelvaart is ook te zien als een copingsstrategie voor verliesverwerking, dat wil zeggen een manier van omgang met het gemis van een gestorvene. Wie onverwachts een dierbare verliest, kan in een soort psychologische rollercoaster belanden. Je blijft om je heen kijken en zoeken naar tekens van leven van de overledene. Beelden van ‘die ene’ staan nog op het netvlies, haar op zijn aanwezigheid zindert na. Als nabestaande kun je op abrupte momenten als een toeschouwer getuige zijn van herinneringen die zich in de eigen menselijke geest voltrekken. Midden op een feestje, in het klaslokaal of tijdens een vergadering dwalen je gedachten, terwijl iemand spreekt, af, de rouwdragende droomt weg, hoort iemand niet meer. Er kan een nieuwsgierigheid ontstaan die zich uit in tenhemelschreiende vragen of idealistische denkbeelden: “Heer, herstelt U in deze tijd het koninkrijk voor Israël?” Of, in modernere bewoordingen: hoe ga ik mijn leven zonder lief nu vormgeven en wel zo dat ik daar wel bij vaar?

Partners kunnen hun geliefde overal in zien. Winkelruiten spiegelen de persoon die haar of hem zo lief was. Via de populaire liederencultuur ontdek je dat velen met liefdesverdriet je zijn voorgegaan. De vioolconcerten van Brahms trek je emotioneel even niet. De frustratietolerantiedrempel die normaliter hoog ligt, is ineens drastisch gekelderd en heel snel bereikt. De krant lezen lukt niet meer, voor triviale kwesties valt geen geduld meer op te brengen, eten laat je staan – niets smaakt meer! – en er is nog weinig dat je interesse kan wekken. De horizon lijkt versmalt tot het punt waarop die ene overledene levensgroot voor je staat. Moeders snuiven nog vaak de geur op van een kledingstuk van een overleden kind, richten in huis een gedenkplaats op of verzamelen attributen en zetten die apart om de wereld, waarin die ander nog present was, weer op te roepen. Het lijkt wel of de gestorvene me met haar of zijn dood door de vingers is geglipt en ik heb tijd en houvast nodig om grip te krijgen op dat heengaan. Hoe kan dat beter dan door me te omringen met de restanten van de wereld waarin de overledene leefde?

Een oudere kan nog lang in gesprek zijn met iemand die is overleden of van haar of hem is gescheiden. Totdat iemand uit het vizier verdwijnt, uit het zicht is verdwenen, het moment waarop de persoon die voor een gelovige het menszijn het meest menselijk naderde en die in het Aramees ‘de mensenzoon’ wordt genoemd ten hemel vaart. Beelden versmelten, de achterblijver neemt afstand en de horizon verbreedt zich weer een beetje. Op naar Pinksteren!

Amen

Donderdag 30 mei 2019, ‘De Regenboog’ Leiden & zondag 2 juni 2019, ‘Hervormde Kerk’ Zevenbergen

Preek naar aanleiding van Ezechiël 1:25-28 en 1 Johannes 2:1-6 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Hemelvaart op donderdag 30 mei 2019 om 10.00 uur in het Kerkelijk Centrum De Regenboog te Leiden en voor de viering op zondag 2 juni 2019 om 10.00 uur in de Hervormde Kerk te Zevenbergen

Gemeente,

Hoe kent u ‘de’ werkelijkheid? Welke rol kan de ervaring spelen voor het opdoen van ‘godskennis’? Dit zijn twee vragen die de auteur van het boek Ezechiël en de schrijver van De eerste brief van Johannes je kunnen stellen.

Als je wilt beoordelen of een gekozen methode aansluit bij een kenobject, dan definieer je als onderzoeker eerst de centrale begrippen die in je vraagstelling meekomen. De methode moet garanderen dat het tot bepaalde resultaten leidt, zich kan identificeren met het gekende en de onderzoeker wordt geacht kennis te verwerven of liever nieuwe uitspraken te doen over het onderwerp dat zij of hij bestudeert. Voor het omschrijven van de begrippen hanteer je criteria tot je op een punt komt waarachter je niet verder terug kunt. Dan vallen er besluiten vanuit een eerste persoons perspectief.

Het benaderen van de werkelijkheid en het reflecteren op de toegang tot de werkelijkheid noemen we voor het gemak ‘het algemene’. Het vaststellen van bronnen en hun status met betrekking tot God betitelen we als ‘het bijzondere’. In de theologie leert een student met name theoretisch te reflecteren op de wijze waarop mensen spreken over God door die taal via rationele concepten te analyseren. Die begrippenkaders zijn vaak afkomstig uit de hulpwetenschappen. Als gelovige leer je ‘God’ onder andere ‘kennen’ vanuit de ervaring. Maar aan de ervaring zitten voor een theoloog die analytisch denkt nogal wat haken en ogen: de ervaring is veranderlijk, ze komt en gaat wanneer ze wil, lijkt niet echt een vaststaande structuur te hebben, is een eindeloze stroom en dermate subjectief, dat je er moeilijk een breed gedragen theologie op kunt bouwen. Een analyticus kan geneigd zijn de ervaring als grond te schuwen en een tikkeltje te minachten. Hoe kan nog enige systematiek worden aangebracht in de wereld van ervaringen?

Vandaag de dag lijkt er een kentering te zijn in de waardering van de ervaring als bron van kennis van transcendentie. Een verklaring zou kunnen zijn dat onze tijd, die continu aan verandering onderhevig is, zich leent voor geloof op basis van ervaring. In een leefwereld die dynamisch en mobiel is, ontwikkelen mensen een besef van de werkelijkheid die ook zelf grotendeels een maakbaar construct is. Vaststaande concepten, grote verhalen, permanente structuren, systemen en grenzen voldoen in een dergelijke leefwereld en realiteitsopvatting niet. Van een mens die in een flexibele werkelijkheid leeft, wordt gevraagd dat zij of hij verschillende scenario’s klaar heeft staan, snel kan switchen van de ene naar de andere denkstijl, concepten kan herijken en hervormen.

In zo’n flexibele wereld gaan mensen ook anders naar zichzelf kijken. Het zelfbeeld is minder omlijnd en substantieel, introspectie dat wil zeggen, de blik naar binnen wordt belangrijker en er is aandacht voor intuïties en sensaties. Een meer vloeibare samenleving vraagt denk ik ook om vernieuwing van het denken over geloof. De ervaring zou ook voor de religie in de eenentwintigste eeuw weleens de vindplaats kunnen zijn voor de geestelijke toegang tot God. Ook in protestantse kring is er een herwaardering van ervaring als bron van geloof te zien.

Een ‘evenement’ als hemelvaart en het visionaire karakter van de teksten uit Ezechiël een vers vijfentwintig tot achtentwintig en 1 Johannes twee vers een tot zes passen bij een geloofsbeleving die de ervaring, waaronder je het gemoed en de beleving kunt rekenen, voor vol aanzien. God is te zien als de inhoud van een menselijke ervaring die zich van andere ervaringen onderscheidt, doordat bij de godservaring de realiteit van de inhoud van deze ervaring alleen door de realiteit van de ervaring wordt gewaarborgd. Het tijdelijke en bijzondere karakter van die ervaring maakt het soms moeilijk erover te communiceren en er onderzoek naar te doen. In beschrijvingen van hemelvaarten staan de achtergeblevenen vaak nog wat beteuterd te kijken, praten na en gebruiken beelden als ‘de beslagen ruit’, ‘een wazige spiegel’, ‘nevelen’ of ‘wolken’ om uit te drukken dat ze een sterke ervaring van transcendentie hebben gehad, maar dat niet helder is wat de inhoud van die ervaring behelsde.

In het alledaagse leven doen mensen voortdurend ervaringen met het transcendente op. De handelingen die een mens uitvoert en de spreekwijzen waarvan een mens zich bedient, laten zien dat zij of hij zich daarmee bekent tot een bepaalde werkelijkheid. In de vragen die je stelt, de twijfels die je hebt, ontkenningen, erken je een zekere werkelijkheid. Je doet ze op basis van een beeld van de werkelijkheid. Je vertrekt zogezegd ergens vandaan, spreekt vanuit een plaats die dat spreken mogelijk maakt. Naast de achtergrond waartegen je spreekt, is er de horizon in relatie waartoe je spreekt. Er is de grond, het waarvandaan, dat elke vorm van reflectie mogelijk maakt, en het waarnaartoe, dat iedere beweging tot doel heeft. Die ‘grond’ is een geheim, omdat het niet transparant is. Mensen zijn er op de wereld als op een gemaskerd bal: je kunt de ander vragen haar of zijn motieven te formuleren, maar de vraag is maar of je met die articulaties iemands drijfveren op het spoor bent. Er zitten zoveel kanten aan het gedrag van een mens die voor haar- of hemzelf vaak ondoorzichtig zijn.

Hemelvaart staat voor de onbegrijpelijke volheid van de werkelijkheid. Hemelvaart herbergt oorden van ervaringen met transcendentie die ook hier en nu te beleven zijn: in de helderheid van geestelijke kennis, in de ervaring van radicale twijfel, in de fundamentele impuls tot gewetensverplichting, in de angst, in vreugde en hoop, en in de ervaring van de dood. Al die ‘ervaringsoorden’ voeren terug op of oriënteren zich aan een grond die in de alledaagse ervaring voor mensen onzichtbaar is.

Je kunt die ‘grond’ – ik gebruik de metafoor ‘grond’, maar er zijn vast ook andere metaforen of begrippen voor te bedenken – als mens niet doorzien of ‘bemachtigen’. De mens die zich dit waarnaartoe van deze ervaring al wordend voorstelt, drukt het het stempel ‘God’ op of geeft het de term ‘hoogste wezen’ mee. Als God gerelateerd is aan de innerlijke structuren van de mens en in het bijzonder van de nog niet verwerkelijkte mens, die zich al wordend in de richting van God beweegt en ‘de heerlijkheid ingaat’, dan is God geen vaststaande entiteit.

Dat losse godsbeeld komt ook naar voren bij de auteurs van Ezechiël en 1 Johannes. Wat je je als lezer(es) van het boek Ezechiël mag realiseren, is dat het is nagelaten aan een gemeenschap van gelovigen, die dit werk niet als afgesloten en onveranderlijk beschouwden. Het karakter van de theofanie, met de klassieke onderdelen van wind, vuur en licht, leent zich voor aanvullingen. Wat de profeet in Ezechiël in zijn vergelijkingen doet, is niet ‘het onuitsprekelijke’ of de empirische verschijningsvorm van een object of persoon beschrijven, hij wil een ervaring delen. Hiervoor maakt hij gebruik van het visioen als literaire vorm.

Net als in de priesterlijke traditie was ‘heerlijkheid’ erg belangrijk voor Ezechiël. Heerlijkheid duidt op een vorm van presentie, waarbij ‘de Ene’ tegenwoordig is op vreemde, in dit geval Babylonische, grond. Ezechiël deelt mee dat hij heeft ervaren dat God zonder tempel ‘in het buitenland’ met een mens meereist. Daarmee steekt hij de joden die in de diaspora leefden een hart onder de riem. God is niet gebonden aan een tempel, de institutionele religie of ingekaderde ideeën. Waar een mens zich bevindt, daar mag zij of hij ook haar of zijn God ervaren. Met die uitspraak van Ezechiël is veel duidelijk gemaakt, dingen zijn nu helder, opgelost. Heen en weer geslingerd tussen verschillende werelden met verschillende ‘wetten’, kreeg de in de verstrooiing levende jood nu bevestiging, het zelfvertrouwen dat zij of hij zo nodig had.

Ook de oude mysticus die wij kennen als Johannes schrijft in het kader van pastorale zorg. De geadresseerden van zijn brief leefden verspreid, enkelen zijn verhuisd en met die verhuizing komen zij in aanraking met hele andere denkwerelden. Wellicht kent u de ervaring dat met veel reizen en het opdoen van buitenlandervaring de kennismaking met andere culturen ertoe kan leiden dat de eigen culturele concepten ter discussie komen te staan en gerelativeerd worden. Dat deden de nieuwkomers die waren opgegroeid in de Johanneïsche gemeente ook. Ze ontkenden de historische en fysieke realiteit van geestelijke ervaringen, zagen geen verband tussen X en Y, stelden kritische vragen over beweringen die niet congrueerden met praktijken en waarmee de geloofwaardigheid in het geding was.

De auteur nu gaat de eenheid bewaren door onderricht te geven in de nuances van het geestelijke leven. Via ‘de wijsheid’ en het oefenen van onderscheidingsvermogen hoopt hij te voorkomen dat zij schade aan de ziel oplopen. Het is een brief waarin hij fundamenteel stelling gaat nemen voor de ervaring als bron van geloof en ‘middel’ voor de manifestatie van God. Deze Johannes gaat geen bijdrage leveren aan bestaande theorievorming, hoeft z’n uitspraken niet wetenschappelijk te verantwoorden en laat z’n overtuiging ook niet door een commissie toetsen. Hij heeft zich wel drie basale vragen gesteld, voordat hij z’n briefje liet circuleren, namelijk: wat is geloof? In welke menselijke mentale capaciteiten vindt geloof z’n oorsprong? En, hoe ontstaat geloof? Een actuele identiteitscrisis en het denken over geloof in het leven van veel van zijn pastoranten had ertoe geleid dat hij zich opnieuw ging bezinnen op de menselijke godsdienst en ging de ervaring als een bijzonder vermogen tot godskennis zien.

Voor Johannes kan een mens ‘God’ of liever ‘de eigen waarheid’ bereiken door innerlijke activiteit, die wordt gevoed door een geestelijk leven. Een mens vormt zich allerlei gedachten, maakt keuzes, doet ervaringen op en beleeft geloof in dagelijkse situaties. In die bestaanswijzen kan God inwoning maken in de gelovige, die op haar of zijn beurt iets van het goddelijke leven naspeelt. Een vraag die bij Johannes’ pastoranten speelt is: representeert het uiterlijke het innerlijke? Grote aandacht besteedt hij dan ook aan de geestelijke verwerving van het goddelijke leven door aandacht voor de innerlijke dimensie van het leven en de uiterlijke daden die mensen verrichten. Hij ‘bestudeert’ de vormen van dynamiek tussen beide en gelooft dat God de verzamelnaam is voor de verbondenheid met elkaar. Die gemeenschap zou wat hem betreft ook op afstand de werkelijkheid van God mogen spiegelen, door het goddelijke leven, moderner vertaald ‘het nieuwe denken’ als uitgangspunt voor het eigen handelen te nemen. Dat vraagt wat hem betreft wel van een mens dat zij of hij uit geest geboren wordt, een metamorfose naar een andere bestaansvorm ondergaat, die je persoonlijkheid verandert.

Wie als moderne gelovige op zoek is naar een standaard voor de aanwezigheid en het genereren van nieuw leven, kan zich richten op een innerlijk principe, waardoor je iets kunt realiseren dat leidt tot ‘godskennis’. God laat zich dan (be)schrijven in je binnenste. Voor die methode is nodig in te stemmen met de ervaring en toestaan dat die ervaring allereerst een weg is met jezelf, om vervolgens te ontdekken dat je wandelt met God de heerlijkheid in, de ultieme vrijheid tegemoet.

Amen

Donderdag 10 mei 2018, Witte kerk Heiloo

Preek naar aanleiding van Daniël 7:9-14 en Handelingen 1:1-11 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Hemelvaart op donderdag 10 mei 2018 om 10.00 uur in de Witte kerk te Heiloo

Gemeente,

In de negentiende-eeuwse roman De idioot van Fjodor Dostojewski keert vorst Mysjkin na een lang verblijf in het buitenland terug naar Rusland. Tijdens zijn absentie blijkt de Russische samenleving al haar kaarten op de economie te hebben gezet. De figuur die mogelijk model heeft gestaan voor Mysjkin was de vijftiende-eeuwse Basilius de Zalige, die in de rol van ‘idioot’ het bewind van de tsaar Ivan IV Vasilyevich bekritiseert. In Byzantium, en in het bijzonder in middeleeuws Rusland, gold ‘dwaasheid’ als een christelijke waarde. De idioot vertegenwoordigt het ideaal van zelfontlediging en vernedering tot het uiterste, door afstand te doen van zijn intellectuele gaven en alle vormen van strategisch denken. Vrijwillig neemt hij het kruis van de idiotie op zich en vervult daarmee een sociale rol. De idioot was in die positie in staat mensen die macht hadden ‘vogelvrij’ te bekritiseren. To play the fool (het spelen van de dwaas) was een stap die niemand anders durfde wagen.

De auteur van Daniël zeven vers negen tot veertien is een cartoonist, die met visuele kunst een religieus commentaar schrijft op de kroning van een priester, zijn lezer(es)s(en) tegelijkertijd entertaint en adverteert voor een andere tempeldienaar. De historische aanleiding voor het in beeldtaal tekenen van zijn cartoons is de onvrede van een groep gelovigen over de opvolging van de hogepriester in de tempel. Zij koesterden de hoop dat de nieuwe geestelijke zich in eenvoudige kledij tooit, er een sobere levensstijl op na houdt, toegankelijke taal spreekt, gemakkelijk in de omgang is en gevoel heeft voor symboliek, rituelen en theater. De kandidaat die uiteindelijk werd verkozen tot nieuwe priester bleek uit de aristocratie afkomstig, zich te hullen in een bontgekleurde kazuifel, te wonen in een religieus paleis, vaker te vinden in een studeerkamer en lokale bibliotheken, dan in een biechthokje, een gedistingeerde taal te spreken, de sacramenten af te raffelen en zich te verplaatsen in een Lamborghini Murcielago.

Voor die benoeming was veel politiek in het spel. Machtsverhoudingen drukten hun stempel op ‘het verkiezingsproces’ en iemand die afkomstig was ‘uit het volk’, had weinig in het besluitvormingsproces in te brengen. De troonsbestijging was een selectief gebeuren en werd gekenmerkt door ongelijkheid. Het volk heeft echter één belangrijke troef in handen: zij weet zich te verenigen, is goed georganiseerd en trekt een plaatselijke schrijver, illustrator en striptekenaar aan die op komische wijze een parodie op de kroning uitbeeldt en een alternatieve installatie van een ‘kerkelijk hoogwaardigheidsbekleder’ voorstelt. Die functionaris diende aan het profiel van ‘het volk’ te voldoen om hen optimaal te kunnen vertegenwoordigen en tegelijkertijd ontvankelijk te zijn voor ‘hemelse sferen’. Een figuur die ‘begrijpt’ wat transcendentie betekent, dat wil zeggen ‘ruimte’ die geen ruimte is, een leeg begrip dat mensen gemakshalve God noemen. Als die ‘wereld’ ter sprake komt, beginnen mensen vaak te stotteren en te stamelen, en gebruiken beelden en sacramenten om dat wat hen boven de werkelijkheid uittilt, uit te drukken. Een persoon die dat religieuze spel kan faciliteren en stroomlijnen is de priester. Wat de achterban van de cartoonist betreft is dat zowel iemand die van de aarde is, als iemand die met haar of zijn hoofd in de wolken loopt.

De cartoonist heeft de uitnodiging aangenomen en gaat het, in de ogen van het volk, falen van de huidige priesterlijke functionaris ruimschoots goedmaken met visioenen. Hij stelt zijn geest helemaal open voor ‘droomgezichten’, laat zijn fantasie de vrije loop en schuwt daarbij apocalypsen niet. Hij luidt het einde van een ambtstijd voor een voorganger in. Zijn taak zit erop, hij mag met emeritaat, nu kan hij vrij dromen. Visioen na visioen krijgt in Daniël zeven zijn neerslag. De cartoonist stelt zich een ‘verkiezingsronde’ voor die niet wordt belegd door commissies met leden die zo hun eigen belangen hebben. Hij geeft het vuur van ‘godverschijningen’ als leidmotief op voor de verkiezingsprocedure van de nieuwe priester. Zijn nieuwe priester vertoont veel trekken van een ideale mens: het is een oermens en eindtijdmens ineen. De manier waarop hij volgens de cartoonist invulling gaat geven aan het ambt is tijdloos: zijn optreden is oorspronkelijk, ‘fris’ en telkens nieuw. Een ambtsinvulling gebaseerd op de geest krijgt al gauw de contouren van onvergankelijkheid, volmaaktheid en onkreukbaarheid. Die visie mag je als lezer(es) situeren in de context van Soekkot, dat is het joodse Loofhuttenfeest, een pelgrimsfeest dat culmineert in een acclamatie waarbij God als meerdere wordt erkend. De auteur van Daniël zeven geeft van dat feest een eschatologische interpretatie door er het einde van een oude en het begin van een nieuwe sociaal-religieuze orde mee in te luiden.

De tekst uit Daniël zeven en Handelingen één vertellen van een hemelvaart en lijken op de hemelvaart van een Henoch, Elia en op die van heersers en helden uit de Oudheid als Augustus en Heracles. Hoe verhouden beide teksten zich nu tot elkaar op het punt van hemelvaart? Als een mens is heengegaan, iemand van wie je gehoopt had dat zij of hij eeuwig zou blijven, dan kun je op de uitkijk gaan staan, blijven turen in de verte, wachten en hopen totdat een geliefde terugkomt. Elia was een aimabel mens, bij velen geliefd en door zijn populariteit ontwikkelde zich de breed gedragen joodse overtuiging dat Elia na zijn dood terug zou komen. En alle toekomstverwachtingen ten spijt kwam Elia niet terug. De hoop op een messiaanse figuur werd er bij de gelovige jood niet minder om. Het boek Handelingen wil laten zien hoe een voorspelling alsnog in vervulling gaat. Het is een soort grootschalige reddingsactie voor de André Hazes of Frans Bauer van Israël. Tijdgenoten van Jezus van Nazareth huldigden nationalistisch-politieke opvattingen over de messias en zijn koningschap en dragen die aspiraties op hem over.

Een verhaal over hemelvaart is ook te zien als een copingsstrategie voor verliesverwerking, dat wil zeggen een manier van omgang met het gemis van een gestorvene. Wie onverwachts een dierbare verliest, kan in een soort psychologische rollercoaster belanden. Je blijft om je heen kijken en zoeken naar tekens van leven van de overledene. Beelden van ‘die ene’ staan nog op het netvlies, haar op zijn aanwezigheid zindert na. Als nabestaande kun je op abrupte momenten als een toeschouwer getuige zijn van herinneringen die zich in de eigen menselijke geest voltrekken. Midden op een feestje, in het klaslokaal of tijdens een vergadering dwalen je gedachten, terwijl iemand spreekt, af, de rouwdragende droomt weg, hoort iemand niet meer. Er kan een nieuwsgierigheid ontstaan die zich uit in tenhemelschreiende vragen of idealistische denkbeelden: “Heer, herstelt U in deze tijd het koninkrijk voor Israël?” Of, in modernere bewoordingen: hoe ga ik mijn leven zonder lief nu vormgeven en wel zo dat ik daar wel bij vaar?

Partners kunnen hun geliefde overal in zien. Winkelruiten spiegelen de persoon die haar of hem zo lief was. Via de populaire liederencultuur ontdek je dat velen met liefdesverdriet je zijn voorgegaan. De vioolconcerten van Brahms trek je emotioneel even niet. De frustratietolerantiedrempel die normaliter hoog ligt, is ineens drastisch gekelderd en heel snel bereikt. De krant lezen lukt niet meer, voor triviale kwesties valt geen geduld meer op te brengen, eten laat je staan – niets smaakt meer! – en er is nog weinig dat je interesse kan wekken. De horizon lijkt versmalt tot het punt waarop die ene overledene levensgroot voor je staat. Moeders snuiven nog vaak de geur op van een kledingstuk van een overleden kind, richten in huis een gedenkplaats op of verzamelen attributen en zetten die apart om de wereld, waarin die ander nog present was, weer op te roepen. Het lijkt wel of de gestorvene me met haar of zijn dood door de vingers is geglipt en ik heb tijd en houvast nodig om grip te krijgen op dat heengaan. Hoe kan dat beter dan door me te omringen met de restanten van de wereld waarin de overledene leefde?

Een oudere kan nog lang in gesprek zijn met iemand die is overleden of van haar of hem is gescheiden. Totdat iemand uit het vizier verdwijnt, uit het zicht is verdwenen, het moment waarop de persoon die voor een gelovige het menszijn het meest menselijk naderde en die in het Aramees ‘de mensenzoon’ wordt genoemd ten hemel vaart. Beelden versmelten, de achterblijver neemt afstand en de horizon verbreedt zich weer een beetje. Op naar Pinksteren!

Amen